
DE ROOS Rijk en luchthartig heeft de roos gebloeid. Haar zijden prachtgewaad was snel versleten. Van een berooid hart wil geen mensch meer weten. 't[…]
De GERANIUM Hier is zij opgegroeid en groot Geworden, voor het smalle raam. Zij heeft geen afkomst en geen naam. Zij is alleen maar schoon[…]
DE VLIEG Het brommen van een vlieg is in de kamer. Ik kan niet werken door dat domme brommen. 'k Sla met mijn waairen, links[…]
WINTERMORGEN De tuin is toegesneeuwd; 't gazon Ligt onder 't hooge witte duin bedolven. Maar veilig in hun warme strooien kolven Wachten de rozen (en[…]
NAZOMER Weinig schoone dagen Zijn ons nog gegeven. Laten wij den hemel vragen Om gelukkig leven: Nachten wit van dauw, Die laat optrekt, En als[…]
DE IJSBLOEM Het vriest, de nevels moeten wijken. Men stookt in hut en in paleis, En 's morgens op de ramen prijken De wonderbloemen van[…]