Laatste update op 1 juli 2013

Redacteur: Enny de Bruijn, Yord.nl, 14 april 2004

“Ik ben nieuwsgierig naar mensen”

In Amerika en Engeland verschijnt de ene uitstekende biografie na de andere, Nederland is nog maar net aan de inhaalslag begonnen. Wat bezielt een biograaf? Hoe komt hij erbij om zijn tijd te besteden aan het scheppen van orde in andermans bestaan? Welke keuzes maakt hij en hoe geeft hij zijn bevindingen vorm? Hans Werkman over zijn biografieën van Willem de Mérode en J. K. van Eerbeek.

1. Waarom over deze personen?

Ik heb kennelijk iets met de Jong-Protestanten, vanuit mijn eigen plek in de wereld, maar ook vanuit historische belangstelling. Het Interbellum vind ik een heel interessante tijd. Wat De Mérode betreft komt de belangstelling ook door mijn geboortedorp, Uithuizermeeden. Toen ik hoorde dat er een dichter in ons dorp gewoond had, wou ik daar meer van weten. “In dit lokaal heeft hij lesgegeven”, zei mijn leraar op de mulo, toen hij het gedicht “Sluimeren in ’t groen” met ons besprak. Op zo’n moment valt een stukje literatuur ineens samen met de man of vrouw erachter. Ik ben nieuwsgierig naar mensen. Dat moet je ook zijn als biograaf, je moet van mensen houden met al hun grote en kleine dingen, met al hun eigenaardigheden ook. Van Eerbeek was de belangrijkste prozaschrijver van de Jong-Protestanten, zoals De Mérode hun belangrijkste dichter was. Dr. R. G. K. Kraan had eigenlijk een boek over hem willen schrijven, dat heeft hij ook gedaan, maar hij kon in de jaren zestig geen uitgever vinden. Dat zegt iets. Zelf heb ik twee keer mijn neus gestoten bij een subsidieaanvrage: men vond Van Eerbeek “van onvoldoende belang voor de letteren.” Terwijl hij toch iets representeert – dat vond iemand als Menno ter Braak ook. De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft mijn aanvraag wél gehonoreerd en me de opdracht gegeven deze biografie te schrijven.

2. Hoe lang hebt u aan deze biografieën gewerkt?

Aan mijn boek over De Mérode werk ik nog steeds. In 1965 ben ik daaraan begonnen, toen ik 26 jaar was. Mijn eerste biografie verscheen in 1971: “Het leven van Willem de Mérode”. Twaalf jaar later kwam er een tweede boek: “De wereld van Willem de Mérode”, waarvan het schrijven zelf overigens vrij vlug ging: ik weet nog dat ik hier zat met een schrijfmachientje en dat ik soms in één dag een hoofdstuk schreef. Daarna heb ik me nog verdiept in “De Mérode en de jongens”, maar dat had een meer essayistische insteek. Eigenlijk heb ik nu wel zin om de ultieme biografie te gaan maken, zodat alle informatie die over een paar boeken verspreid is, wordt samengevoegd.
Wat Van Eerbeek betreft, daar werk ik aan sinds 22 juli 1998 – dat was zijn honderdste geboortedag. Toen hebben we een Van Eerbeek-wandeling door Zwolle gemaakt: Jan Boss -de neef van Van Eerbeek- en zijn vrouw, Reyer Kraan en zijn vrouw, Igor Cornelissen, mijn vrouw en ik. Op die dag is het begonnen. Ik kreeg van Kraan behoorlijk wat materiaal, maar heb ook zelf nog veel onderzoek gedaan. Het boek is nu bijna klaar: ik hoop eind dit jaar te promoveren.

3. Hoe bent u te werk gegaan?

Mijn vader zat vroeger in Uithuizermeeden in de kerkenraad. Hij heeft een keer de kerkenraadsnotulen voor me meegebracht en die heb ik thuis door zitten lezen – dat hoort natuurlijk niet zo, maar niemand die er iets van zei. Met het archief van het schoolbestuur ging het op dezelfde manier. Daarna ben ik al gauw naar het Letterkundig Museum gegaan, om allerlei briefwisselingen te lezen. Dat museum was toen nog ondergebracht in een katholieke schuilkerk, in de Haagse Juffrouw Idastraat. Daar mocht ik dan op zolder zitten, zomaar in de stoel van Couperus, en ik vond de mooiste dingen. Verder heb ik de familie van Willem de Mérode opgezocht. Zijn broers en zusters waren op dat moment al overleden -die hadden me misschien veel verboden!-, maar de kinderen van Pieter Keuning hebben me helemaal de vrije hand gegeven. Ik kreeg zelfs inzage in het familiearchief.
Bij Van Eerbeek ben ik eerst z’n boeken gaan lezen, daarna pas op verder onderzoek uitgegaan. Plaatsen bezoeken is belangrijk: ik moet weten waar hij gelopen heeft, welke geuren hij opgesnoven heeft. Mijn vrouw en ik zijn bijvoorbeeld in het spoor van Van Eerbeek naar Nice gereisd. Daar vonden we het hotel terug waar hij maanden gelogeerd heeft: een grote, vierkante bak met een norse conciërge onderin, vol kleine kamertjes waar mensen heel goedkoop konden wonen. Kleine bordeeltjes zaten er ook, daar schrijft Van Eerbeek over in het manuscript van zijn boek, maar later is dat er allemaal uit weggeschrapt, óf door uitgeverij Kok, óf door zijn zuster Rebekka.
Hoe meer je verzamelt, hoe belangrijker het wordt om structuur aan te brengen in het materiaal. Ik maak steeds een tijdbalk en een themabalk. Alle archiefaantekeningen worden per jaar geordend, en ondertussen ontstaan er ideeën over thema’s: De Mérode en de kritiek, De Mérode en de Jong-Protestanten enzovoort. Dat laatste is belangrijk, anders krijg je een droge feitenbiografie.

4. Welke specifieke problemen heeft uw onderzoek opgeleverd?

De Mérodes dagboeken zijn bij zijn arrestatie verdwenen, ik denk dat z’n broer ze toen heeft meegenomen en vernietigd. Bij Van Eerbeek vind ik het nog altijd jammer dat ik zijn zus Rebekka -die hem vereerde en bemoederde, die zijn goede genius was en zijn beeld vervormde- niet uitvoeriger heb gesproken. In 1986, toen ik een gesprek met haar had, heb ik niet doorgevraagd: ik wist toen nog niet dat ik Van Eerbeeks biograaf zou worden. Een ander probleem: ik had de naam van Van Eerbeeks geliefde ontdekt, Janneke Land, en ik ging bij haar dochter op bezoek. Zij had het dagboek van haar moeder op tafel liggen, maar ik mocht het niet inzien, zelfs niet toen ik beloofde dat ik niets zou publiceren zonder instemming van de familie.

5. Wat is uw mooiste vondst?

Ik ben Kraan heel dankbaar dat hij de dagboeken van Van Eerbeek heeft gekopieerd, voordat Rebekka de hele zaak in de kachel stopte. Die dagboeken zijn nu, samen met de romans, mijn belangrijkste bron. Zelf heb ik ontdekt dat Van Eerbeek een conflict had met zijn wijkpredikant, over een preek waarvan hij helemaal ondersteboven was. De kleinzoon van die dominee bleek alle preken van opa bewaard te hebben, en samen konden we precies nagaan om welke preek het ging: daar bleek een scherpe aanval op de Jong-Gereformeerden in te staan, een kritische groepering waartoe Van Eerbeek zich aangetrokken voelde.
Bij De Mérode was de Castricum-vondst het belangrijkst: ik hoorde Ad den Besten op de radio zeggen dat er onbekende handschriften van De Mérode gevonden waren, en daar ben ik toen meteen op afgegaan. Heel bijzonder was ook de verandering van Okke, de jongen voor wie De Mérode veel gedichten schreef. Hij nam Willem de Mérode allerlei dingen hoogst kwalijk, maar later heeft hij hem over het graf heen vergeven.

6. Zijn er dingen in het leven van de gebiografeerden die u liever had willen verbloemen?

Ik geloof niet dat ik die neiging heb gehad. Een biograaf moet zijn held wel begrijpen, maar ook distantie houden. Je moet een mens niet vermooien, je moet de feiten laten spreken, zwart en wit laten zien. Maar wel met een genadige pen. Je moet ook geen dingen publiceren die aantoonbaar schadelijk zijn voor nog levende nabestaanden.

7. Welk doel had u met deze biografieën?

Doden tot leven wekken. De Mérode en Van Eerbeek waren in hun tijd belangrijke mensen. Anderen werden door hun werk aan het denken gezet, getroost, geraakt, geprikkeld. Ik vind het van belang dat de geschiedenis van de Jong-Protestanten beschreven wordt, daarmee bied je zicht op de kerkgeschiedenis vanuit een literair perspectief. Maar vooral wil ik die mensen begrijpen, ook in confrontatie met mezelf – een identificatieproces heeft altijd plaats. Van Eerbeek is maar 39 jaar geworden en inmiddels helemaal vergeten, dat vind ik heel onrechtvaardig. Eigenlijk wil ik zijn leven verlengen door over hem te schrijven.

8. Richtte u zich op een bepaald publiek?

Ik wil een goed boek schrijven, dat goed leesbaar is. Een sappig verhaal, dat toch wetenschappelijk niveau heeft. Mijn werkwijze is in de loop der jaren een beetje veranderd, bij De Mérode heb ik bijvoorbeeld te weinig aan bronvermelding gedaan. Maar ik vind nog steeds dat het verboden is om dor te schrijven. Hoogstens zet ik de wat moeilijker analyses in een apart hoofdstuk, zodat de wat minder geïnteresseerde lezer dat hoofdstuk kan overslaan.”

9. Welke kritiek kreeg u?

Voor Van Eerbeek komt die nog, tijdens de promotie. De Mérode is behoorlijk goed ontvangen, ik heb er zelfs een biografieprijs voor gekregen. Maar ds. Bouma uit Assen schreef dat hij er bezwaar tegen had dat ik de vertrouwelijke notulen van kerkenraad en classis openbaarde. Ook Boudewijn Büch was negatief. Werkman heeft de bronnen vervalst, schreef hij, want het is onmogelijk dat iemand die pedofiel is in werkelijkheid maar één keer te ver gegaan is. Werkman vermooit De Mérode tot een christelijke dichter die vrome versjes schrijft. Toen dat stuk verschenen was, heeft Maarten ’t Hart me -onder schuilnaam- in Vrij Nederland nog verdedigd.

10. Wat zegt deze biografie over u als schrijver?

Ik kan geen biografie over Henriette Roland Holst schrijven, want met die mevrouw heb ik helemaal niets. Daarom kies ik voor mensen uit mijn eigen, protestantse wereld. De Mérode en Van Eerbeek zochten allebei de grenzen op, ze waren bepaald niet het prototype van de orthodox-christelijke schrijver. Ze waren te origineel om traditioneel te kunnen zijn – daar houd ik van, en daar kan ik mezelf ook veel bij voorstellen. Of ze mijn leven hebben veranderd? Niet wezenlijk, denk ik, maar ze gaan wel jarenlang met me mee. Ik denk soms: Als ze zelf over je schouder mee konden kijken, wat zouden ze dan zeggen?

De biograaf

Hans Werkman (1939), voormalig leraar Nederlands aan het Fontanus College in Barneveld, fungeert sinds jaren als de spin in het web van de christelijke literatuur. Hij schreef kinderboeken en romans, maakte sinds 1974 naam als criticus van het Nederlands Dagblad, richtte het christelijk -literaire tijdschrift Woordwerk op en zat later in de redactie van Liter. Op het terrein van de geschiedenis van de protestantse letterkunde in de twintigste eeuw geldt hij als de belangrijkste gids. Met talrijke schrijvers uit het recente verleden onderhield hij persoonlijke contacten, talrijke artikelen schreef hij over mensen als Jo van Dorp-Ypma, P. J. Risseeuw, C. Rijnsdorp, Ida Gerhardt, Dingeman van der Stoep.

Op biografisch terrein verdiende hij zijn sporen met levensbeschrijvingen van Willem de Mérode (pseudoniem van Willem Eduard Keuning) en J. K. van Eerbeek (pseudoniem van Meindert Boss). Hij schreef ook “Kroniek van meester Keuning”, een korte biografie van De Mérodes vader. Aan Bé Nijenhuis wijdde hij in 1995 een biografische schets, die onder de titel “Spitten en niet moe worden” verscheen als themanummer van Woordwerk.

In 1971 verscheen “Het leven van Willem de Mérode”, in 1983 gevolgd door “De wereld van Willem de Mérode”. Voor die laatste titel kreeg hij de Henr iëtte de Beaufortprijs voor (auto)biografieën, een prijs die later onder meer ook aan Hélène Nolthenius en Hans Goedkoop werd uitgereikt. Sinds 1998 werkt de auteur aan een biografie over J. K. van Eerbeek -pseudoniem van Meindert Boss-, waarop hij eind dit jaar aan de Vrije Universiteit hoopt te promoveren.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

7 + 2 =