San Marco

Als uw bloode driestheid durfde erkennen,
Dat wij samen in den hemel waren,
Zou ik dan ’t gemeen geluk niet loven
Van dit zaligheid-doordrenkt bestaan?
Warm is de aarde onder onze voeten,
Hoog reikt ’t gras als toen wij kindren waren.
Onze monden werden zoet van honing
Die wij zogen uit de roode klaver.
Onze handen geurden scherp en bitter
Van ’t gekneusde blad der paarse munt.
En de blauwe hemel is zoo helder
Als de hemel der vakantiedagen.
En ons hart is voller van verrukking
Dan een uitgaansdag aan spannend heil.
Want het wonder is tot ons gekomen
In den klank van wat gewone woorden,
In het doen van simple bezigheden,
In het rustig kijken naar elkander,
In het spelend strenglen onzer handen,
In den glans van uw verdwazend lachen,
In de duizelingen van uw kus…
Als uw bloode driestheid durfde erkennen,
Dat wij samen in den hemel waren,
Zou ik dan ’t gemeen geluk niet loven
Van dit zaligheid-doordrenkt bestaan

Uit: Nalezing IV (1922-1923), geschreven in 1923


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *