Hoogtijden – I Kerstnacht

Wij weten wel, dat Gij geboren zijt,
En hulploos in een kribbe ligt en schreit;
En toch, wij gaan met aarzelende voeten,
U te begroeten.

Wij schrokken huivrend op: dit is Uw nacht!
Ons luchtig hart had niet op U gewacht.
Nu kunnen wij met tuchtelooze zinnen
U niet beminnen.

Uw ster reist stralend over weg en veld.
Wij volgen, maar van ’t hemelsche geweld,
Dat andrer oogen blinken doet als zonnen,
Niet overwonnen.

Hebt Ge ons een oogenblik van smart bevrijd?
O God, wij smachten wel naar zaligheid,
Maar kunnen, wat wij hebben, niet verlaten,
En nimmer haten.

Wilt Gij geschenken? neem ons weenen aan;
Handen die niets dan kwaad hebben gedaan.
En onze bloeiende zachtroode monden,
Nog warm van zonden.

Gij lacht ons op den schoot van Moeder toe.
Gij weet wel, ach, wij zijn zoo doodlijk moe,
En willen graag ons aan Uw voeten strekken,
Tot Ge ons zult wekken.

Wij zijn gekomen, Kind, zegen ons hoofd.
Dan wordt de felle hellebrand verdoofd.
O, en wij voelen, dat hij gansch zou blusschen,
Wildet Ge ons kussen.

Zijn woord getuigt van anderer bekeering.
Hij rookt geen sigaret, maar drinkt wel wijn.
Zijn onsoliede ziel is een legeering
Van waarheid, weelde, strenge ascese en schijn.

Hij vindt in ieder godsdienst iets ter leering
Maar wil ’t liefst in de conventikels zijn.
De kerk eischt hart en hoofd, geloofsvermeering,
’t Gezelschap onmacht en een dierbre pijn.

Hij spreekt met wellust over buurmans leven.
(Hoe menigmaal heeft hij niet zitten beven
Om dit stuk vuil, die doode misgeboort.
Maar God wou zich genadig nederbokken
En ’t rookend brandhout aan het vuur ontrukken)
En praat ’t volk doof, maar God heeft niets gehoord.

Uit: Het Heilig Licht (1913-1921)

Categorieën: maandgedicht

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

+ 81 = 85