De vrienden

Bij ’t portret van Jaap en Okke
Hun houding drukt hun diepste wezen uit
De grootste zit, in wakkren droom verloren,
Op ’t rijzen van de stem des bloeds te hooren,
De nachtegaal die in harts meinacht fluit.

Hij wond zijn arm los om zijn makker heen
In groote goedheid, niet om steun te ontvangen.
Wie luistert naar zijn innigste verlangen,
Hij vindt zijn vastheid in zichzelf alleen.

De jongste staat, zijn oogen moedig open,
Gereed om met zijn onbevlekte kracht
Het schoone leven naar zijn wil te dwingen.

Gelukkigen! Zij hebben wat zij hopen:
De reine houdt de wereld in zijn macht,
En die gelooft, bezit reeds alle dingen.

handtekening Willem de Mérode

Uit: Nalezing III, geschreven op 24/25 september 1919.

Categorieën: maandgedicht

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

+ 58 = 67