Een peppel is een oer-Hollandse populier. Via de website Groen natuurlijk leer je waar die naam vandaan komt:

“Populus is het Latijnse woord voor ‘volk’. De Romeinen noemden hem zo omdat het ritselen van het blad hen deed denken aan het gemurmel van een mensenmassa. Ook de Grieken zagen het zo: ons woord peppel komt van het Griekse paipolos, dat ‘trillen’ betekent. Ook bij weinig wind zijn de bladeren steeds in beweging, vooral bij de esp of ratelpopulier. ‘Vrouwentongen’ heetten ze daarom vroeger. Trillen als een espenblad, zegt het spreekwoord. In de mythologie worden saters, mythische wezens op bokkepoten, soms afgebeeld met een populierenkrans. In de middeleeuwen geloofde men dat heksen populieren gebruikten voor heksenzalf en om hoog in de kroon te vergaderen.”

De peppel

Gif hebt mij dit gegeven,
Dat ik zoo lang ik leef,
Met vreezen en met beven,
Naar boven streef.


Mijn bladeren, de velen,
Op hun gedraaide steel,
Kaatsen in duizend deelen
Uw licht geheel.


In ’t veld, ver van de dorpen,
Een flikkerstraal, een glans,
Sta ik, door U geworpen
Trillende lans.


En als de schemers dalen,
Van ronden horzion,
Schiet zon uit mij haar stralen,
Uw zwart kanon.


Tot eenzaamheid geschapen,
Gemeden door ’t gemeen,
Blijf ‘k, ongerept, een wapen
Voor U alleen.

Geschreven op 10 december 1933, uit Kringloop

Categorieën: maandgedicht

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

9 + = 18