Laatste update op 7 april 2013

WACHTEN

Nu komt het donker met zijn zoet Berouw en met zijn week verdriet. Nu stijgt verlangens lauwe vloed Ter lippen ... en gij zijt er niet. Gij zijt hier niet ... ik luister stil Naar 't suien van den wind der nacht, Die stadig uit het duister wil Verschuinen ... waar ik op u wacht. Maar 't ondoorgrondelijke zwart Kiert nimmer open voor uw voet. En 't jangend bonzen van mijn hart Draagt niet tot u, die ò,en moet, Diè moet en die niet komen zult, Niet komen zult, hòe lang ik wacht. En mijn wanhopig ongeduld Verschrei 'k ellendig in den nacht.

Uit: Nalezing II, Verzamelde Gedichten (1916-1918)