Laatste update op 8 april 2013

VISITE

In de avond dempen zich de stemmen.
Men mompelt maar wat voor zich heen.
Doch vol van leven niet te temmen
Blijft de witte boezelaar van Leen.

Dat weten alle mannenoogen,
Dat wraakt de blik van iedre vrouw,
Want zij zijn lieden van vermogen
In zwart en goud; maar dat meidje, nou!

Dat weet de boeren wel te paaien.
Zij ruischt en lacht en lonks ze in gloed,
En wervelt langs het oogendraaien
Der gades met ontrust gemoed.

Door stijve witgeknepen lippen
(Haar stem sloeg in haar mond tot gruis
Omdat haar echtvriend wilde ontglippen)
Knerpt een mevrouw benauwd: naar huis!

Het is gezegd: en allen rijzen,
Bedanken, fooien, groeten! spoed! –
In de besloten paradijzen
Sluipt Adam weg en Eva woedt.

handtekening Willem de Mérode

Uit: Verzamelde Gedichten, nalezing IX, geschreven op 1 december 1933

Categorieën: maandgedicht