Laatste update op 7 april 2013

II De Gedroomde Zoon - 1928 (1/7)

Ik ben geen vader en ik hèb geen zoon. Niets dan een sage is zijn zacht bestaan. Toch groeide hij gelijk de nieuwe maan. In grootte en glans en werd volwassen-schoon. Nevens mij, glorieus en monotoon, Verging de kringloop van zijn kort bestaan. Mijn hand is streelend door zijn haar gegaan En langs het kloppend halsje van mijn zoon. Ik weet niet hoe hij werd en mij ontviel. Ik ken alleen de klare periode Van bloei die boven mijnen schouder rees. Nog spiegelt zijn hel lachen in mijn ziel. God weet, wij hebben soms een droom van noode, Maar doodsbedroefd is die den droom ontrees.

Uit: De lichtstreep, Deel II, 1/7, geschreven op 19 februari 1928.