Over het verraad van Judas Iskariot. Zijn spijt wordt overduidelijk.

‘Ich bin’s, ich sollte büszen!’

Ik kan den last niet langer dragen
En snik, wat ik te zwijgen zocht
Ik heb, gij hoeft niet langer vragen,
Den Heer verraden en verkocht.

Men bood, ik eischte, en mijn handen
Grepen begeerig naar het geld,
En klinkend met het loon der schande,
Ben ik de bende voorgespeld.

Ik wees den hoi, ik gaf het teeken,
En toen Hij rees uit zijn gebed,
Heb ‘k, zijn vervaarde jongren weken,
Hem met mijn valsche kus besmet.

Maar dan, bij zijn bedroefde blikken,
(O hemel, die voor ’t laatst me omving)
Voelde ik de vlammen en de schrikken
Der hel, die loeiend openging.

Ik heb ’t verdiend, en ik moet boeten
Voor ieder slag, voor ieder band,
Voor het verminken van zijn voeten,
Voor het doorboren van zijn hand.

Duizend maal duizend voel ‘k de steken
Van scherpe doorn en spitse speer,
En altijd gaan mijn oogen breken
En stokt mijn hart, en ‘k leef, om wéér

Te sterven, en ‘k moet immer sterven,
Of, heil ! schoon men onheilig spot,
Mijn ziel zou ’t leven moeten erven
Van den van God verlaten God!

Ik ben ’t … och Heer, word ik gedreven
In ’t duister van doods eeuwgen nacht? …
Alle angsten gaan mijn ziel begeven,
Want tot mij steunt Gij: ’t is volbracht!

Uit: Langs den Heirweg (1926-1932), geschreven op 5 april 1927


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *