Informatiecentrum

Maandgedicht - maart 2008

DE LICHTSTREEP

II De Gedroomde Zoon - 1928 (3/7)

Ook deze droom was schoon: ik zag u spelen;
Een goede makker, werd ik u vertrouwder.
Ik voelde 't hartlijk duwtje van uw schouder
En mocht in al uw heerlijkheden deelen.

Gij zeide, en kondt een lachje nauw verhelen,
Gij waande u 't grootst en mij maar weinig ouder,
Van hoofd iets wijzer maar van hart niet kouder En heel geschikt om over te bevelen.

En uw geheimen, nauwelijks ontloken
Werden, verrukt, zacht in mijn oor gesproken
Bij blinkende oogen en verhoogde blos.

O wenschen, in een ijdlen droom gegleden,
Nevelen, tusschen heden en verleden,
O zoon! mijn ziel laat uw bestaan niet los!


Uit: De lichtstreep, Deel II, 3/7, geschreven op 2 maart 1928.